(>) U bent hier : Home / Wonen / Verkeer / Mobiliteitsplan


Mobiliteitsplan

Doelstelling en opbouw van het mobiliteitsplan 

Het gemeentelijk mobiliteitsverband kwam fasegewijs tot stand: de oriëntatienota, de opbouw van het plan en het beleidsplan

De oriëntatiefase (fase 1) was een algemene verkenning van de gemeente met haar ruimtelijke en verkeerskundige problematiek. In deze fase analyseerden we de bestaande (bovengemeentelijke en gemeentelijke) documenten en maakten we een inventaris van de visies van de verschillende actoren (Vlaams gewest, De Lijn …). Vervolgens werden deze gegevens gebundeld en afgewogen in een globale probleemstelling. Tot slot bepaalden we welke gegevens er nog ontbraken voor de overgang naar de tweede fase en welk aanvullend onderzoek nog moest gebeuren. De oriëntatie werd goedgekeurd door de provinciale auditcommissie op 4 november 1997. 

Tijdens de opbouw van het plan (plan 2) ontwikkelden we, op basis van bijkomende analyses en onderzoek, meerdere beleidsscenario’s 'duurzame mobiliteit'. Dit moest de begeleidingscommissie in staat stellen systematisch voorstellen te formuleren ter voorbereiding van een beleidskeuze in fase 3. In de loop van 1998-1999 werd deze fase inhoudelijk uitgewerkt. De synthesenota werd aangevaard door de auditcommissie op 09/11/1999.   

Het beleidsplan duurzame mobiliteit (fase 3) is de uiteindelijke beleidskeuze van het gemeentebestuur van Bertem, het Vlaams gewest en De Lijn.

Resultaat van de oriëntatienota 

Tijdens de analysefase bleek dat de belangrijkste verkeersproblemen in Bertem in relatie staan tot het alom aanwezige sluipverkeer door de gemeente. Door de ligging van Bertem ten aanzien van Brussel en Leuven, de oververzadiging van het hoofdwegennet, de eigen ruimtelijke structuur van de gemeente (verspreide inplanting van bedrijven langs smalle gemeentelijke wegen)… worden functionele conflicten vastgesteld tussen 'verblijven' en 'verkeren' in de kernen, rijdt teveel (zwaar) doorgaand verkeer over ongeschikte wegen in het buitengebied, 'bedreigt' het gemotoriseerd verkeer door te hoge snelheden de leefkwaliteit van de inwoners en de veiligheid van de langzame weggebruikers… 

De standpunten van de verschillende beleidsactoren in verband met het duurzaam mobiliteitsbeleid lopen grotendeels gelijk of zijn met elkaar te verzoenen: de verkeersonveiligheid en –onleefbaarheid aanpakken, is prioritair. Hierbij wordt zowel gedacht aan het stimuleren van vervoersalternatieven (fietsnetwerk, openbaar vervoer) als het nemen van beperkende maatregelen naar het gebruik van het gemotoriseerd privéverkeer.  

Essentie van de synthesenota (fase 2) 

Voor we het mobiliteitsplan uiteindelijk konden opbouwen, werden twee voorbereidende stappen onderscheiden: het uitvoeren van aanvullende onderzoeken om de finaliteit van de ervaren verkeersproblematiek beter te kunnen definiëren en het vastleggen van doelstellingen voor het gemeentelijke mobiliteitsbeleid.
In het voorjaar van 1999 werd navolgend aanvullend onderzoek uitgevoerd:
  • een enquête over het verplaatsingsgedrag naar een van de belangrijkste aantrekkingspolen van de gemeente: het rust- en verzorgingstehuis Sint-Bernardus
  • een verkeersonderzoek in Leefdaal: herkomst en bestemming van het doorgaand verkeer
De navolgende basisdoelstellingen werden geformuleerd
  1. bereikbaarheid van economische knooppunten en poorten waarborgen
  2. garanderen van basismobiliteit voor de ganse bevolking
  3. minimale handhaving van de verkeersleefbaarheid
  4. verdere afbouw van de verkeersonveiligheid
  5. afremming van de groei van de automobiliteit door betere condities voor de alternatieve vervoerswijzen, mede door een betere ruimtelijke organisatie
  6. optimalisatie van de bestaande (verkeers)infrastructuur
  7. geïntegreerde benadering van ruimtelijke ordening, verkeer en infrastructuur

Inhoud van het beleidsplan (fase 3) 

In het beleidsplan wordt op de eerste plaats een keuze voor duurzame mobiliteit gemaakt. Deze keuze steunt op de doorgevoerde evaluatie, integratie en synthese van de scenario’s uit fase 2 van het mobiliteitsplan. In de synthesenota werden twee varianten van het trendbreukscenario uitgewerkt: een 'autoscenario' en een 'openbaar vervoerscenario'. 

Binnen het beleidsplan worden eerst in hoofdstukken 3 t.e.m. 5 de grote krachtlijnen van het gewenste mobiliteitsbeleid naar voor gebracht en dit volgens de verschillende werkdomeinen: de ruimtelijke structuur (domein A), de verkeersstructuren (domein B) en diverse ondersteunende maatregelen in andere beleidsdomeinen (domein C). Een tweede belangrijk onderdeel van het beleidsplan vormt het actieprogramma, met daarin de verschillende concrete maatregelen die we nemen om duurzame mobiliteit te ondersteunen (hoofdstuk 6). Per maatregel worden de betrokken verantwoordelijke partijen vernoemd, wordt een prioriteitsvolgorde aangegeven en wordt in de mate van het mogelijke een prijsraming opgemaakt (vooral voor korte termijn maatregelen). De derde planfase besteedt ook aandacht aan de evaluatie van het mobiliteitsplan (hoofdstuk 8). Daarbij gaan we in op de verdere organisatie die bij de opvolging van het gemeentelijk mobiliteitsplan moet worden voorzien. Je kan het plan altijd raadplegen op de technische dienst.
Een verdere verfijning van het mobiliteitsplan, het gemeentelijk circulatieplan, kwam in 2004 tot stand. Bij de opmaak van de plannen voor de heraanleg van de Dorpstraat in het centrum van de deelgemeente Bertem, de Dorpstraat en het dorpsplein in deelgemeente Leefdaal en de heraanleg van de Nijvelsebaan in deelgemeente Korbeek-Dijle, stelt zich het probleem van de verkeerscirculatie. Een reorganisatie van het verkeer is hier noodzakelijk om het sluipverkeer te beperken. Om de verkeersveiligheid en –leefbaarheid te verbeteren moeten we een visie ontwikkelen op de verkeerscirculatie waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan
  • een aangepaste circulatie voor het gemotoriseerd verkeer
  • de openbaarvervoerontsluiting
  • de fiets- en voetgangersrelaties

Het plan ontwikkelt ook een concept voor de inrichting van de centrumstraten op vlak van tracé en profielen met als doel

  • de gewenste verkeerskundige ontwikkelingen te stimuleren
  • een interne samenhang en ruimtelijke kwaliteit te verkrijgen ondanks een aanleg in fasen